De geschiedenis van de Belgische radio radio: radio na de tweede wereldoorlog.

De tweede wereldoorlog was afgelopen. De Belgische regering gaf toen geen vergunningen meer aan de particuliere omroepen. Niet iedereen nam daar genoegen mee.

Radio na de tweede wereldoorlog

Bij de bevrijding van ons land in 1944 besloot één der eerste naoorlogse regeringen het door de Duitse bezetter ingevoerde staatsmonopolie van de radiouitzendingen over te nemen. Geen enkele van de vooroorlogse vrije zenders mocht opnieuw de ether in. Een andere bron meldt dat er geen vergunningen werden uitgereikt omdat er een Franstalig overwicht was.

Geen enkele privé-omroep van voor de oorlog kreeg zijn zendvergunning terug. WNRO (Kortrijk), Radio Vlaanderen (Gent), Radio Loksbergen (Hasselt) en Radio Kerkske (Antwerpen) vormden wel de basis van de gewestelijke omroepen van het NIR. Ze werden binnen de openbare omroep omgevormd tot provinciale vestigingen. De gewestelijke stations vervulden volgens een beurtrol de zendtijd van het 'tweede radioprogramma'.

In Kortrijk deden de radiomakers gewoon verder zoals ze daarvoor bezig waren. Toch kwamen er steeds meer richtlijnen uit Brussel en daar waren de Kortrijkse pioniers duidelijk niet tevreden mee. De koningskwestie betekende uiteindelijk een keerpunt. De katholieke West-Vlaamse zender koos toen resoluut voor de vorst. Slogans als 'Leve de Koning' en 'Wij willen Leopold III terug op de troon' waren regelmatig te horen, tussen de nummers door. Maar die stellingname kon echt niet door de beugel voor het neutrale NIR. En dat vormde de aanleiding om de pseudo-onafhankelijkheid van de Kortrijkse zender op te heffen. Toen werden er vanuit Brussel zelfs mensen gestuurd om de zender in de juiste pas te laten lopen.

Georges De Caluwé, de stichter van Radio 't Kerkske kon echter geen vrede nemen met deze nieuwe omroepsituatie die zo duidelijk in strijd was met artikel 14 van de Belgische Grondwet. Dit artikel stipuleert dat "de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten gewaarborgd blijft". Sinds de wet van 18 mei 1960 koesterden de verantwoordelijken van de BRT en RTB zich in de "veilige" bescherming van het omroepmonopolie. Vanuit hun ongenaakbare positie produceerde de staatsomroep programma's zonder rekening te houden met de publieke opinie. De BRT (*) en RTB stonden verheven boven alle kritiek en de politici speelden het spel mee uit eigen belang.

(*) Het NIR werd in 1960 opgeheven en werd BRT (Belgische Radio en Televise) voor de Nederlandstalige uitzendingen en RTB (Radio Télévision Belge) voor de Franstalige uitzendingen.


Het radiolandscahp in april 1947
Zo zag het radiolandschap in België er uit in april 1947 (met dank aan Lode Kempen)
 
Benaming freq. m. taal zender
Brussel I (INR)-RNB 620 kHz 483,9 m FR Veltem 20 kW
Brussel II (NIR)-BNRO 932 KHz 321,9 m NL Veltem 20 kW
Brussel III 1285 KHz 233,5 m NL niet gekend
Brussel IV 868 KHz 345,6 m FR+D niet gekend

Gewestelijke Omroepen van de Belgische Nationale-Omroep via de zenders van de voormalige privé-zenders tot 1 augustus 1948

Gent 1465 KHz 204,8 m niet gekend
Antwerpen 1465 KHz 204,8 m 0,3 kW
Kortrijk 1483 KHz 202,3 m 0,25 kW
Hasselt 1483 KHz 202,3 m niet gekend
Henegouwen 1492 KHz 201.1 m 0,5 kW
Luik 1140 KHz 263.2 m 0,25 kW
Namen 1492 KHz 201.1 m 0,5 kW

De Wereldomroep via Zender Leopoldstad zond uit op 17.770 KHz  (16,88 m)

Bekijk hier drie bladzijden van het magazine De Radioweek dat werd uitgebracht door het NIR op 28 april 1947: afbeelding 1 2 3

Georges De Caluwé terug in volle actie eind 1962

Georges De CaluweGeorges De Caluwé was ook na de tweede wereldoorlog bezeten van radiomaken en wilde kost wat kost terug een radiostation opstarten. Bij de volgende verkiezingen kwam hij op in Antwerpen met een eigen partij. Het belangrijkste streven van de partij was het terugbrengen van Radio Kerksken. De overheid bleef echter weigeren om een vergunning toe te kennen.

Op 3 september 1955 begon Georges De Caluwé terug met uitzendingen zonder vergunning maar zijn radiostation werd enkele dagen later opgepakt. De Caluwé stelde vervolgens de regering voor een ultimatum: vrije privé radio of een zendschip voor de Belgische kust. Gezien echter de politiek de kunst is zich van de mensen te bedienen door ze te doen geloven dat men hen dient, werd het ultimatum door de machthebbers verworpen, zogezegd in het algemeen belang.

Op 10 oktober 1962 om 14:25 was het zover. Georges De Caluwé zou alle politieke en gerechtelijke interpretaties ten spijt gebruik maken van het onvervreemdbare recht om zijn mening te uiten. Hi startte de uitzendingen van Radio Antwerpen op het schip Uilenspiegel op de Noordzee kortbij Knokke-Heist. De toen 73-jarige Georges kocht de 585-tonner "Le Crocodile" van de Franse Zeemacht voor 2,5 miljoen BEF (62.500 €). Er werd uitgezonden op de middengolffrequentie 1492 kHz (201m). De uitzendingen liepen tussen 7:00 en 0:00. Alle programma's werden gepresenteerd in het Nederlands behalve Il y'a de la musique dat in het Frans werd verzorgd tussen 16:30 uur en 17:00 uur. Behalve klassieke muziek werd ook aandacht besteed aan de populaire muziek en in de namiddag was er een verzoekprogramma. Radio Antwerpen werd al snel vrij populair bij de Vlaamse luisteraars. De meeste programma's werden vooraf opgenomen in een studio te Edegem. Piet Jager was de programmaleider van het station en onder de presentatoren zaten onder andere Louis Samoy, Terry Brendol, Jos Jansen en Val Leuris Fred Steyn. Regelmatig was Georges te horen in het middagprogramma Groeten van Uilenspiegel.

Enkele weken later werd er tevens een kortegolfzender in dienst gesteld. De radioprogramma's waren toen ook te beluisteren op de 41 meter band - 7600 kHz. Dit signaal was zelfs hoorbaar tot in Canada.

De Belgische regering was helemaal niet gelukkig met de Vlaamse zeezender. Regelmatig werden de opnames in Edegem gestoord door de gerechtelijke instanties. De medewerkers besloten dan maar om de opnames telkens op een andere plaats te organiseren. De ene bracht dan de bandopnemer mee, de andere de microfoon en draaitafels,...

De levensdroom van Georges De Caluwé bleef slechts een goede twee maand in de ether. Op 13 december 1962 ging het niet zo goed met zijn gezondheid. Hij stierf na een heelkundige ingreep te Antwerpen. Zijn dood bespaarde hem ook van de grootste teleurstelling in zijn leven. Op 16 december 1962 woedde er een storm met windkracht 12 over de Noordzee. Tijdens de storm brak het anker van de Uilenspiegel. Ook de generatoren vielen uit met als gevolg dat er geen enkel elektrisch apparaat aan boord nog functioneerde. Door het afschieten van vuurpijlen kon de bemanning aandacht trekken van de Engelse ferryboot Suffolk Ferry. De Belgische kustwacht van Oostende stuurde toen onmiddellijk reddingsboten uit. De bemanning sprong naar de reddingsboot. Hierdoor overleed één matroos. Een sleepboot trok de Uilenspiegel tegen de zeestroom in. De sleepkabel brak en diezelfde avond nog liep de Uilenspiegel vast op het Nederlandse strand van Retranchement bij Cadzand.

De Nederlandse overheid zat verveeld met het gestrande schip waarop niemand aanspraak wilde maken. Het schip werd snel een toeristische trekpleister. Er kwamen tienduizenden mensen kijken en zelfs een deel van de inboedel werd gestolen. Het schip zakte ieder jaar verder weg in het zand en werd een gevaar voor de wandelaars. In 1971 heeft de Nederlandse overheid dan het schip laten opblazen uit veiligheidsredenen.


De Uilenspiegel gestrand nabij Cadzand (NL)

Op donderdag 6 oktober 2005 kreeg vrijeradio.be een reactie van Jean-Pierre Lauwers (61). Hij bestudeerde hoofdzakelijk het civiele en militaire gebruik van de radiogeschiedenis in de luchtvaart en onder andere ook met luchtschepen.
Jean Pierre vertelt. Wat de Uilenspiegel betreft: ik heb de ganse geschiedenis meegemaakt vanaf de eerste proefuitzendingen tot de stranding.
Ik was een trouwe luisteraar! Vaak heb ik De Caluwé zelf aan het woord gehoord. Hij zond zelf ook 's avonds een speciale editie uit voor de Frans-Vlaamse vrienden luisteraars. Jammer genoeg bezat ik toen geen bandopnemer! Trouwens mijn radiootje van toen was een eigengebouwd 3 transistor dingetje! Primitief, maar het functioneerde! Ik kon daarmee goed zijn zender ontvangen! Bij de proefuitzendingen meende ik dat hij zijn zender zelf Radio Noordzee noemde vanop het schip Uilenspiegel. Voor zover ik me herinner sloeg het schip op drift in een zware storm op de de nacht dat hij stierf als gevolg van een operatie! Vaak heb ik me afgevraagd of er geen opzet in het spel was?

uilenspiegel-cadzand

Eerder was de Belgische regering al over gegaan tot het bedenken van een anti-Uilenspiegel wet. Het werd de Belgen gewoon verboden mee te werken aan radioprojecten vanaf zee. Op 18 december 1962 werd de anti-zeezenderwet goedgekeurd met 123 voor en 35 stemmen tegen. Het verbod was blijkbaar voldoende om gedurende enige tijd radioavonturen vanop de zee te voorkomen. Het duurde tot 15 juni 1973 vooraleer er een tweede Belgische zeezender opdook. Radio Atlantis begon die dag, stipt om 12.00 uur uit te zenden via een huurzender aan boord van de MV Mi Amigo. Het schip werd eerder gebruikt om de uitzendingen te verzorgen van de Britse zeezender Radio Caroline. De eigenaar van radio Atlantis was de Adegemse zakenman Adriaan Vanlandschoot.

Niet veel later, op 1 januari 1974, startten de officiële uitzendingen van Radio Mi Amigo. Twee dagen eerder kon men de testuitzendingen horen. De man achter dit project was de Huizingse wafelbakker Sylvain Tack. Hij was er in geslaagd om een nieuwe deal te sluiten met Adriaan Vanlandschoot. Adriaan kocht daarom eigen schip, de MV Jeanine. Op 22 december 1973 werd het schip verankerd voor de kust van Knokke. 's Anderendaags startten de eerste testuitzendingen.

Over naar de Wetstraat
Begin september 1944 trokken de geallieerden Brussel binnen en vanaf dan kon de B.N.R.O. zijn eerste uitzendingen op Belgisch grondgebied beginnen. Dat de geallieerden België hadden bevrijd, wilde echter niet zeggen dat de vijandelijkheden beëindigd waren. Men kon dus niet zeggen dat er reeds vrede heerste in België en dus bleef B.N.R.O. toen nog voorlopig nog bestaan.

Er werd een nieuwe wet uitgevaardigd waarin beschreven werd dat men voorlopig de installaties en het materiaal van het N.I.R.-I.N.R. kon blijven gebruiken. Dit N.I.R.-I.N.R. was echter nooit ontbonden en er bestonden op dat ogenblik in feite twee Belgische zenders, waarvan er één door de oorlog op non-actief was gezet. Dit naast elkaar bestaan van de zenders zorgde bij de bevrijding uiteraard voor spanningen omdat er onduidelijkheid bestond over het bestuur en het personeel van beide zenders.

In 1945 werd er dan ook een voorlopige besluitswet uitgevaardigd, die kwam om helderheid te scheppen, maar uiteindelijk voor nog meer verwarring zorgde. Het B.N.R.O. moest worden afgeschaft en dit door het N.I.R.-I.N.R., maar het N.I.R.-I.N.R. moest voortaan uitzendingen verzorgen onder de naam Belgische Nationale Radio Omroep. Door al de onduidelijkheid die ondertussen heerste, kwam het dat de voorlopige naoorlogse situatie uiteindelijk 15 jaar heeft standgehouden

De voorlopige besluitswet van 1945 herstelde de bevoegdheden van het N.I.R.-I.N.R., maar het overheidsmonopolie werd enkel maar verstevigd. Er werd geen beroep meer gedaan op omroepverenigingen en de zendvergunningen van de private zenders
werden niet meer vernieuwd. De private zenders werden wel gebruikt voor de gewestelijke omroepen van het N.I.R.-I.N.R., die in 1947 startten.

Oorspronkelijk kwam er van de bevolking geen tegenkanting tegen het overheidsmonopolie, omwille van de sterke berichtgeving van de BBC tijdens de tweede wereldoorlog. De BBC was natuurlijk het schoolvoorbeeld van een omroep met een overheidsmonopolie. Zelfs de KVRO, die streefde voor een terugkeer van de omroepverenigingen, slaagde er niet de katholieke bevolking te overtuigen. Het overheidsmonopolie begon echter steeds meer en meer uit de hand te
lopen. Daar bovenop ging de overheid steeds meer en meer gebruik maken van censuur en leugenachtige berichtgeving. Er was dus nood aan een nieuwe omroepwet, waarin censuur door de overheid streng verboden zou worden.

In 1959 werd het N.I.R.-I.N.R. onder de bevoegdheid van de Minister van Cultuur geplaatst. In 1960 kwam er dan een nieuwe omroepwet die een einde zou maken aan de naoorlogse verwarring. Er was steeds meer vraag naar opsplitsing van de omroep. De wet van 1960 willigde deze vraag naar culturele autonomie in. Er werden twee zendinstituten met elk een raad van bestuur en elk een rechtspersoonlijkheid opgericht: Belgische Radio en Televisie (BRT) en Radiodiffusion Télévison Belge (RTB).

Om de naoorlogse censuur en partijdigheid tegen te gaan werd in de wet beschreven dat de minister van cultuur geen leden van de raad van bestuur meer mocht benoemen en dat hijzelf geen voorzitter mocht zijn. Bovendien waren er in de omroepwet van 1960 een aantal artikels opgenomen waarin duidelijk de belangrijkheid van onpartijdigheid en objectiviteit van de berichtgeving werd benadrukt.

De regering mocht ook pas achteraf de directie ter verantwoording roepen en ze mocht vooral niet meer op voorhand ingrijpen. De verplichting om beroep te doen op de omroepverenigingen werd officieel afgeschaft en reclame was nog steeds verboden. Om de raad van bestuur op te stellen in de jaren '60 kon men nog geen beroep doen op cultuurraden. Daarom werd de raad beurtelings benoemd door de Kamer en de Senaat. De kandidaten mochten voorgedragen worden door provincieraden, universiteiten, academiën en de Hoge Raad voor Volksopleiding. Er werden telkens per uitzendinginstituut acht mensen verkozen. Deze acht gekozenen verkozen op hun beurt nog twee leden zodat elk uitzendinginstituut uiteindelijk tien
leden telde. Deze vormden dan samen de Algemene Raad benoemd voor de gemeenschappelijke diensten.

Met de komst van de cultuurraden werd in 1971 de bevoegdheid voor de omroep overgedragen aan deze raden. In de jaren die volgden werden de omroepbevoegdheden steeds meer gefederaliseerd.